Evolutie

De eerste behandeling van hemofilie A dateert van 1840, waar een hemofiliepatiënt behandeld werd met een bloedtransfusie.

Pas in de jaren zestig van de vorige eeuw werd een methode ontdekt om stollingsfactoren uit bevroren menselijk bloedplasma van donoren te zuiveren (cryoprecipitatie). Deze methode werd steeds meer verfijnd en uiteindelijk kon het middels deze methode uit donorbloedplasma gehaalde ontbrekende stollingsfactor worden toegediend aan patiënten.

Na een aantal jaren gebruik ontdekte men de keerzijde daarvan: via producten uit menselijk bloedplasma konden ook ziekteverwekkers worden overgedragen. Begin jaren tachtig bleken dan ook een aantal hemofiliepatiënten geïnfecteerd te zijn geraakt met het hiv- en het hepatitis B- en C-virus, omdat de stollingsfactoren uit menselijk bloedplasma waren gehaald dat besmet was. Sindsdien wordt donorbloed heel streng gecontroleerd op de aanwezigheid van virussen. En dat geldt nog steeds voor de huidige stollingsfactoren die uit menselijk bloedplasma worden gewonnen.

Desondanks waren de besmettingen toch aanleiding om op zoek te gaan naar veiliger productiemethoden. Doordat in 1984 de structuur van het DNA volledig bekend was, werd het mogelijk om factor VIII na te maken. De recombinante stollingsfactor was geboren. Met behulp van de zogenaamde recombinante productietechniek kon natuurgetrouwe stollingsfactor VIII ‘nagemaakt’ worden zonder dat daarvoor stollingsfactor uit menselijk bloedplasma nodig was. Omdat het risico van een virusbesmetting met recombinant stollingsfactor VIII bijzonder klein is, worden recombinant stollingsproducten sinds de jaren negentig wereldwijd op brede schaal toegepast bij hemofilie A patiënten.